Drs Jacobine D.C. Geel

Betreft:
Gedachten bij de opening van de expositie ‘Kunst in memoriam’
Driehuis - Westerveld
26 april 2005
De ziel
went zich van het rumoer der dingen
en zoekt bevrijding in oneindigheid
totdat zij vindt het kernpunt aller dingen
in een moment van ondoorgrondelijkheid.
Met deze woorden van dichteres Jacoba Eggink zou ik u willen uitnodigen om – zoals leeuwen door een hoepel – de sprong te wagen door de cirkel op het omslag van uw uitnodiging, de sprong van hier en nu en tijdelijkheid naar eeuwigheid, oneindigheid. Of eigenlijk ben ik het niet die u uitnodigt, maar zijn het de kunstwerken zelf die hier, tegen de hellingen van Westerveld, te zien zijn.
De ziel
went zich van het rumoer der dingen
en zoekt bevrijding in oneindigheid
totdat zij vindt het kernpunt aller dingen
in een moment van ondoorgrondelijkheid.
Kunst in memoriam, kunst ter nagedachtenis, of – actiever – kunst die tot herinneren aanzet, herinneringen uitlokt. Dat woordje ‘kunst’ is bijna hinderlijk. Het suggereert afstand, iets met een lijst erom, verboden aan te raken. Iets wat af is ook, wat op zichzelf staat, zichzelf genoeg is. Maar dat soort kunst zult u hier niet aantreffen. De objecten die verspreid over deze begraafplaats te zien zijn - sculpturen, hemelspiegels, cirkels, lichtstralen, bruggen naar een vermoeden van overkant, koesteringen in steen - onveranderlijk willen ze meer dan alleen bekeken worden. Ze willen een relatie met u aangaan. Ze willen u aanraken, iets in u in beweging brengen, u roeren – soms tot tranen toe.
Grafstenen zoals wij die gewoonlijk kennen zijn sluitzegels, ze dekken af, ze
dekken toe. De dode in zijn laatste rustplaats wordt aan het zicht onttrokken
en ook de dood zelf – wat wij ons daar ook bij voorstellen – blijft
achter de grafsteen verborgen. Deze (nieuwe) beelden zijn anders. Ze dekken
niet af, maar zijn als deuren, vensters. Ze richten onze blik op een wereld
voorbij het rumoer der dingen, een wereld aan gene zijde van de waan van de
dag. Ze nodigen uit om die wereld te betreden en door te dringen tot –
wie weet - de kern van het bestaan.
Ieder van ons kan zich bij de dood iets anders voorstellen. De dood is het einde
niet, zeggen sommigen. De dood is nieuw begin, is het opstijgen van de ziel
naar de hemel, het inkeren van de ziel in zichzelf, het indalen in een ander
leven. Voor even zo velen echter is de dood het einde wel, is de laatste adem
ook echt het laatste en is de ziel niet los verkrijgbaar van het stoffelijke
lichaam. Lichaam en ziel zijn verbonden zoals de stemming en het feestje. En
wie gaat, wanneer het feest is afgelopen, de straat op om te zoeken waar de
stemming bleef?
Maar wat de dood ook is en welke beelden wij ook hebben van wat hierna komt
– leegte, een altijd groene weide, een hand die ons opvangt - met het
leven is in ieder geval nooit, voor geen van ons, de relatie met de gestorvene
voorbij. Die leeft verder, in wie we zijn en in onze herinneringen – dierbare
en soms ook lastige, gruwelijke. Pas als wij er zelf niet meer zijn is ook de
gestorvene werkelijk gestorven. Zolang wij leven zijn wij met wie aan de dood
toevertrouwden verbonden. Die voortdurende relatie wil onderhouden worden en
dat is een van de redenen om een graf te bezoeken.
Natuurlijk markeren we het stoffelijke afscheid. We proberen het lichaam van
onze geliefde dode zo zorgvuldig mogelijk voor te bereiden op zijn laatste reis,
we komen bij elkaar, we zingen en spreken een laatste groet en bewijzen onze
doden de laatste eer. Mensen blijken onuitputtelijk creatief als het er om gaat
uit te drukken wat onzegbaar is. Maar met dat stoffelijke afscheid – hoe
ontroerend, indrukwekkend of spectaculair ook – is het werk voor wie achterblijft
niet gedaan. Rouw, verdriet om verlies duurt langer, werkelijk afscheid nemen
misschien wel een heel leven.
Verdriet kit al mijn krachten samen
Zodat ik roerloos word als steen
Mijn hele wezen wordt materie,
Een ondoordringbaar, dicht mysterie,
O, sla de rots, op dat ik ween.
Dit dichtte Vasalis, dit is wat verdriet om verlies kan doen. Dit verdriet vraagt
daarom aandacht, willen we zelf tenminste niet midden in het leven als doden
zijn. En om zelf niet te verstenen kunnen we steun zoeken bij het werk dat hier,
door beeldhouwster Carine van Steen, op Westerveld bij elkaar is gezocht. Vormen
uit rots geslagen – onder andere - mysterieus maar niet ondoordringbaar,
onbegrijpelijk. Roerende, krachtige, kwetsbare materie: kunst in memoriam.
Om ons behulpzaam te zijn bij het verwerken van ons verdriet, bij het onderhouden
van de voortdurende relatie met onze doden zijn de hier tentoongestelde werken
van betekenis. Een goed beeld geneest en dat vermogen hebben deze beelden. Maar
er is nog een reden. Ik zei het: grafstenen dekken de dood af, dekken de dood
toe. En dat is wat wij in onze cultuur in het algemeen geneigd zijn te doen
met de dood. Maar al te vaak is waar wat een bekend kerklied zingt, dat wij
midden in het leven als doden zijn. Angstig, verkrampt, misschien wel –
als puntje bij paaltje komt – als de dood voor de dood. In onze cultuur
overheerst het streven naar de greep, naar controle. De neiging groot is om
kwetsbaarheid, zeker lichamelijke kwetsbaarheid, buiten de grenzen van ons gezichtsveld
te dringen. Liever maken we ons sterk en houden we ons groot en spelen we bij
voorkeur mooi weer. Tot we er kramp van krijgen.
Toen hij vijftig jaar priester was zei Jan van Kilsdonk in zijn preek onder
andere dit: 'En wat is vrijheid? Is dat niet ten diepste het kramploos aanvaarden
van wat ligt in de onontwijkbare structuur van het leven.' Dat trof me. Kramploos
aanvaarden: de woorden riepen andere op, zoals ontvankelijkheid, ontspanning,
ontroering, overgave. Er was de prettige sensatie van te kunnen bewegen: zacht
wimpelend zoals vissen, in plaats van het vaak moeizame waden van ons mensen.
De woorden gaven lucht. Diezelfde sensatie had ik toen ik hier de eerste keer
rondliep en de beelden in me opnam.
Van kinds af aan is ons leven er op gericht te leren beheersen: de spieren van
de nek om het hoofd overeind, de spieren van je rug om je rug recht te houden,
de spieren van je benen om staande te blijven. We leren beheersen, en hoe ouder
we worden, des te meer we dat ook zelf willen. Autonoom willen we zijn, onafhankelijk.
Zelf doen, zelfbeschikking, zelfontplooiing. Maar is dat ideaal wel helemaal
houdbaar? En is het wel zo ideaal? Gaan bevlogenheid en zelf doen bijvoorbeeld
samen? En zelf doen en liefde, hoe zit het daarmee? Zou je, om werkelijk toe
te komen aan iets wat op leven lijkt, niet ook moeten leren vallen, al was het
maar voor iets of iemand, moeten leren loslaten? Schuilt in overgave soms niet
evenveel vrijheid als in onafhankelijkheid?
Leren vallen, leren loslaten – het klinkt gemakkelijk maar eenvoudig is
het bepaald niet. Het is zoiets als een beetje leren doodgaan en bijna even
eng. Maar er is zoveel kramploosheid, zoveel vrijheid te winnen voor wie erin
slagen. Het bestaan wordt zoveel vollediger als ook kwetsbaarheid, als ook de
dood, de eindigheid er als vanzelfsprekend deel van uitmaken. Ook dat maken
de hier getoonde werken, elk op hun eigen manier, duidelijk. Ook bij dit leerproces
kunnen ze ons behulpzaam zijn. Ze slaan een brug tussen eindigheid en oneindigheid,
helpen ons te gaan van hier en nu naar eeuwigheid – en terug. En daarmee
herinneren ze ons niet alleen aan de doden, maar intensiveren ze ons besef van
wat leven is. Het is nu aan ons om de stap te zetten, de sprong te wagen. Ik
wens het u toe: spring!